2017: Year of Open #yearofopen

Print

Van de website WWW.YEAROFOPEN.ORG

“The Year of Open is a global focus on open processes, systems, and tools, created through collaborative approaches, that enhance our education, businesses, governments, and organizations. At its core, open is a mindset about the way we should meet collective needs and address challenges. It means taking a participative and engaging approach, whether to education, government, business or other areas of daily life. In its practical applications, open is about shared efforts and values to enhance people’s opportunities, understanding and experiences.

Open represents freedom, transparency, equity and participation. When something is created openly, it is intended for others to use it and contribute their expertise to it to make it better, whether that’s adding more features or information, or finding errors and fixing them quickly. During the Year of Open, we want to capture and display these efforts to increase participation and understanding of how open contributes to making things better for everyone. “

Meer informatie via de website over

via blog Willem van Valkenburg

Open Onderwijs, twee geloven op één kussen. Afscheidsrede Peter Sloep.

OpenOnderwijs_SloepTijdens zijn afscheidsrede als hoogleraar Technology Enhanced Learning bij het Welten Instituut van de Open Universiteit heeft prof. dr. Peter B. Sloep aandacht besteed aan de tegenstelling tussen onderwijs als manier om geld te verdienen en onderwijs als instrument om de mensheid te verlichten. Hij gaat hierbij uit van twee vormen van open onderwijs: de openheid van universiteiten en openheid van MOOC’s

Zijn samenvatting:

Openheid in het onderwijs kent vele verschijningsvormen. In deze rede beperk ik me tot het vergelijken van de openheid van open universiteiten met die van grootschalige open online cursussen, beter bekend als MOOC’s. MOOC’s zijn de meeste recente en meest in het oog springende loot aan de boom van openheid in het onderwijs. Na enkele definities van openheid in het onderwijs de revue te laten passeren, bespreek ik kort de ongeveer 40-jarige geschiedenis van openheid zoals open universiteiten die hebben vorm gegeven en de ongeveer 5-jarige geschiedenis van MOOC’s. Dat leidt tot het inzicht dat beide vormen van openheid gestoeld zijn op geheel verschillende uitgangspunten. Waar open universiteiten gebouwd zijn op het fundamentele, door de overheid gegarandeerde recht op onderwijs, komen MOOC’s voort uit marktdenken; waar open universiteiten aansluiten bij een humanitair waardesysteem, omarmen MOOC’s een utilitair waardesysteem. Hoewel voor beide opvattingen ruimte is en misschien wel moet zijn, huldigen sommigen de opvatting dat MOOC’s ons vigerende onderwijs onvermijdelijk overbodig zal maken. In mijn rede bestrijd ik die opvatting en zal ik ook kort schetsen welke rol onze eigen Open Universiteit in die discussie zou moeten nemen.

Regelgeving en aandachtspunten bij opschaling van open en online onderwijs

SURFnet publiceerde tijdens de Open Education Week (7 t/m 11 maart) een verkenning rondom regelgeving en aandachtspunten bij opschaling van open en online onderwijs.

VerkenningOE

Uit de inleiding:

De verkenning is bedoeld als handvat voor universiteiten en hogescholen die zich (willen) richten op de inzet van open en online onderwijs. Het doel is drieledig:

  1. de belangrijkste randvoorwaarden en regelgeving identificeren en toelichten;
  2. voorbeelden presenteren uit de praktijk van een onderwijsinstelling om te laten zien wat er binnen de huidige kaders mogelijk is;
  3. een vergezicht bieden naar de opschaling van open en online onderwijs: in hoeverre moeten randvoorwaarden en wettelijke kaders worden aangepast?

Er zijn totaal vijf thema’s waar deze drie aspecten worden toegelicht. De thema’s:

  1. begeleiding van studenten;
  2. implicaties van tijd- en plaatsonafhankelijk onderwijs;
  3. online toetsen;
  4. erkenning van online onderwijs in formeel onderwijs;
  5. delen van leermaterialen.

Bij elk thema worden de drie aspecten (randvoorwaarden en regelgeving, praktijkvoorbeelden en vergezicht) toegelicht.

Volgens de samenstellers van het rapport zijn er vier argumenten voor het op grotere schaal aanbieden en faciliteren van open en online onderwijs

  1. hogere onderwijskwaliteit
  2. effectievere besteding van contacttijd
  3. flexibilisering onderwijs en onderwijs op maat
  4. rijkere en internationalere leeromgeving

Belangrijke vraag hierbij is of de huidige wet en regelgeving deze ontwikkeling in de weg staat.

De samenvatting:
Ten aanzien van de vijf thema’s waar deze verkenning zich op richt, zijn de volgende conclusies te trekken:

Contacttijd in online onderwijs
In het kader van de prestatieafspraken over het eerste jaar van het voltijd bacheloronderwijs kan virtueel contact in het wo wel onder de definitie van contacttijd worden geschaard. in het hbo is dit niet het geval. Tenzij een hbo-instelling op dit punt een afwijkende individuele prestatieafspraak heeft gemaakt. Voor de andere jaren in de bachelor- en masterfase gelden dergelijke afspraken niet. Dat betekent dat de instellingen daar de nodige ruimte hebben om een eigen invulling aan contacttijd en begeleiding te geven.
Hogeronderwijsinstellingen zijn verantwoordelijk voor kwaliteit, binding en begeleiding, maar de vraag is of begrippen als contacturen en vestigingsplaats hiervoor ook in de toekomst het beste instrumentarium bieden. De begrippen ‘binding’ en ‘begeleiding’ vragen in deze context om een herijking. Inspirerende ontmoetingen tussen student en docent kunnen ook in online leergemeenschappen ontstaan; faceto-face contacttijd hoeft niet in alle gevallen leidend te zijn. Het is belangrijk hier te differentiëren naar doelgroep. Het verlopen van de prestatieafspraken in 2016 biedt in ieder geval de mogelijkheid de definitie van contacttijd aan te passen, met name voor het hbo.

Percentage online onderwijs in de opleiding
De Beleidsregel doelmatigheid hoger onderwijs 2014 stelt geen limiet aan het kiezen van een online vorm voor het onderwijsaanbod van de eigen instelling, maar de inzet van online onderwijs dat wordt aangeboden door andere instellingen is gelimiteerd tot een derde van het curriculum. Niet helemaal duidelijk is of de ‘25%-regel’ (tenminste een kwart van de opleiding moet fysiek bij de Nederlandse opleiding in Nederland worden gevolgd) van toepassing is op studenten die Nederlands hoger onderwijs geheel online vanuit het buitenland volgen.
De genoemde beleidsregels gaan (gedeeltelijk) uit van bestaande ideeën over de meerwaarde van face-to-face onderwijs ten opzichte van online en asynchroon onderwijs. In het kader van de beoogde opschaling van open en online onderwijs is het goed dit kritisch te evalueren. Nu ‘fysieke locatie’ een andere betekenis krijgt doordat het onderwijs internationaliseert en digitaliseert, is de vraag welke impact dit heeft op het concept van doelmatigheid. Ook is de vraag of onderwijs op de locatie van de instelling een randvoorwaarde is om ‘binding’ met de opleiding te creëren.

Online proctoring
De Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) heeft geen bepalingen die een belemmering vormen voor online proctoring. Wel is van belang deze vorm van online surveilleren in goed overleg tussen het opleidingsbestuur en de examencommissie vorm te geven. De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) vereist echter wel aanvullende maatregelen ten opzichte van fysieke toetsafname.
Een belangrijke stap op de korte termijn is de verheldering van de implicaties van de Wbp. De komende jaren zullen good practices ontstaan van instellingen die gebruik maken van de ruimte die er is om online proctoring in te zetten op een manier die past binnen de grenzen van de Wbp. Het is goed om ook naar online proctoring te kijken met het oog op opschaalbaarheid. Bij grote aantallen online studenten zijn niet alle toetsvormen even geschikt.

Kwaliteitszorg bij integratie van online onderwijs in formeel onderwijs
Wanneer online onderwijseenheden in het onderwijsprogramma geïntegreerd zijn, worden deze onderwerp van de interne kwaliteitszorg van de opleiding. De instelling moet ervoor zorgen dat dit binnen de interne kwaliteitszorg wordt geborgd en dat binnen de instelling de nodige expertise aanwezig is.
Om de kwaliteit te kunnen borgen is het belangrijk dat externe (visitatie)panels en de examencommissies voldoende expertise hebben op het gebied van online onderwijs. Bij het integreren van extern online onderwijs in het eigen programma spelen ook financiële aandachtspunten (zoals de kosten van verified certificates).

Individuele vrijstelling volgens de EVC-procedure
Wanneer een individuele student om een vrijstelling vraagt op basis van een extern gevolgde online onderwijseenheid, bepaalt de examencommissie per geval of de vrijstelling wordt toegewezen of als vrije studiekeuze wordt erkend. Dit is arbeidsintensief en stelt de examencommissie voor verschillende uitdagingen, namelijk beoordeling van niveau, inhoud en aansluiting op het onderwijsprogramma.
De huidige, individuele erkenning is niet schaalbaar. Mogelijke oplossingen zijn een supplement bij het certificaat, een internationale kwaliteitsstandaard, een clearinghouse, alliantievorming, afspraken op sectorniveau of de selectie van onderwijsmodules door de opleiding.

Auteursrecht 
De belangrijkste regelgeving is het auteursrecht. Daarnaast zijn in de collectieve arbeidsovereenkomsten (cao’s) van docenten in het hoger onderwijs standaardafspraken vastgelegd over het eigendomsrecht van het materiaal dat in het kader van het dienstverband is ontwikkeld. De cao’s van hbo- en wo-instellingen verschillen hierin.
Belangrijk is bewustzijnsontwikkeling bij instellingen en docenten over rechten die rusten op materiaal. Per instelling zou zoveel mogelijk duidelijkheid moeten worden geboden over auteursrecht op zelf ontwikkeld onderwijsmateriaal, in aanvulling op bepalingen uit de cao (die verschillen tussen hbo en wo).

Inzet van elders ontwikkelde open educational resources (OER)
Het gebruik van OER, of de integratie van OER in het eigen leermateriaal is van grote toegevoegde waarde zoals in deze verkenning op diverse plaatsen is beargumenteerd. De gebruiksrechten van extern materiaal zijn echter niet altijd evident.
Het is van belang dat docenten op de hoogte zijn van de (mogelijke) rechten die rusten op materiaal dat zij willen gebruiken binnen hun eigen onderwijs. De instelling kan docenten hierin faciliteren.

Online aanbieden van auteursrechtelijk beschermd materiaal
Veel studieboeken en andere benodigde literatuur is auteursrechtelijk beschermd en slechts (digitaal) te delen wanneer een regeling is getroffen tussen de betrokken partijen. Volgens de WHW kunnen onderwijsinstellingen wel het studiemateriaal voorschrijven, maar niet op welke wijze de student het studiemateriaal verkrijgt. Instellingen kunnen dus (naast het collegegeld) geen extra bijdragen van studenten verlangen voor het online beschikbaar stellen van materiaal.
Een probleem bij het digitaal beschikbaar stellen van auteursrechtelijk beschermd materiaal is dat de overgang van papieren naar digitale leermaterialen kan leiden tot situaties waar verschillen bestaan tussen studenten. Een grote uitdaging is de totstandkoming van een ander verdienmodel, dat zo interessant is dat alle studenten instappen en dat ook voor uitgevers aantrekkelijk is.

Stappenplan om mogelijkheden online onderwijs te verkennen *infographic*

InfographicOOOWil je de mogelijkheden van online onderwijs verkennen? Deze infographic van SURF is een stappenplan die de 3 relevante vragen stelt: waarom wil je het inzetten, wat wil je gaan ontwikkelen en hoe ga je dat doen. Elke vraag is nader uitgewerkt in een rijtje subvragen die samen een handreiking vormen voor het ontwerpen van online onderwijs.

Bron: SURF

Zie ook Begrippenkader Open Online Onderwijs

Trendrapport open en online onderwijs 2015

TrendrapportOOO2015Tijdens Dé Onderwijsdagen is voor de 4e keer het Trendrapport open en online onderwijs door de special interest group Open Education van SURF gepresenteerd.

In het trendrapport 2015 komen diverse onderwerpen aan de orde: wat zijn de kansen van open education voor het campusonderwijs? Wat zijn mogelijke nieuwe doelgroepen voor open en online onderwijs? Wat zijn hun behoeften en hoe geven onderwijsinstellingen daar invulling aan? Hoe kan er veilig digitaal worden getoetst binnen open en online onderwijs? En: welke uitdagingen zijn er op het gebied van learning analytics in open en online onderwijs? Welke rol kunnen bibliotheken spelen bij de inzet van open leermateriaal? Bron: SURF nieuw

Tijdens de introductie op de presentatie schetste Robert Schuwer aan de hand van woordfrequenties de ontwikkelingen van open en online onderwijs (zie zijn blog). Hij signaleert het groeiend besef dat open en online onderwijs meer is dan MOOC’s. En dat het langzamerhand ook binnen hogescholen aandacht begint te krijgen. Hoewel in het persbericht staat dat open onderwijs de pioniersfase voorbij is, lijkt dat nog niet voor hogescholen. In het artikel dat Robert Schuwer samen met Ulrike Wild heeft geschreven voor het trendrapport blijkt dat er toch nog veel gebeuren om open onderwijs ook binnen hogescholen breder geadopteerd te krijgen. In hun actieplan benoemen zij: formulering van een open policy bij instellingen, het duurzaam ontzorgen en ondersteunen van docenten. Het laatste punt: (wereldwijd) erkennen van elkaars open onderwijs lijkt ook voorwaardelijk voor inbedding van open en online onderwijs in campusonderwijs. Dat is nu nog weerbarstig is heeft Marcel Schmitz beschreven in Hoe een student een MOOC vangt. Judith van Hooijdonk, mede-projectleider van MOOCZI, het Zuyd Innoveert project van de faculteit ICT heeft op basis van haar ervaringen meegeschreven aan het artikel Kansen voor inbedding open en online onderwijs in campusonderwijs. Op 2beJAMmed is deze tekst ook integraal gepubliceerd.

5Coe: framework voor Open Education

5COE

Fred Mulder en Ben Janssen hebben in 2013 het 5-componentenmodel voor open onderwijs ontwikkeld. Zie het artikel ‘Open (het) onderwijs’ in het trendrapport OER 2013 voor de achtergrondinformatie. Met het 5COE model is het mogelijk te bekijken waar een onderwijsinstelling zich bevindt, dan wel zich opstelt, op de vijf componenten of dimensies van openheid.

5coe

De componenten aan de aanbodzijde zijn de volgende:
1. Open educational resources (OER): de bekende eerste component.
2. Open learning services (OLS): een breed scala aan online en virtuele voorzieningen, die vrij (gratis) of tegen betaling beschikbaar zijn voor begeleiding, advies, bijeenkomsten, communities, teamwork, presentaties, bronnenraadpleging, internetnavigatie, toetsing, examinering, enzovoorts.
3. Open teaching efforts (OTE): de menselijke inbreng in het onderwijs, de inspanningen die docenten, opleiders, ontwikkelaars en ondersteuners in hun verschillende rollen in het onderwijs leveren, in een professionele, open en flexibele leeromgeving en cultuur. In de meeste gevallen zal hiervoor betaald moeten
Aan die vraagzijde bevat het 5COE model de volgende twee componenten:
4. Open to learners’ needs (OLN): lerenden willen onderwijs dat betaalbaar, studeerbaar, kwalitatief aan de maat en interessant is, en ook nog iets oplevert. Om open te zijn mag het onderwijs geen restricties opleggen wat betreft toelatingseisen, tijdstip, plaats, tempo of programma. En moeten er voorzieningen zijn voor levenlang-leren, certificering van praktijkervaring, goede schakels tussen formeel en informeel leren, enzovoorts.
5. Open to employability & capabilities development (OEC): het onderwijs zal ook open moeten staan voor een veranderende samenleving en arbeidsmarkt, de bepalende rol van kennis en innovatie, en de invloed van globalisering, terwijl het tegelijkertijd ruimte moet bieden aan nieuwe vaardigheden, kritisch denken, ethiek, creativiteit, en persoonlijke groei en burgerschap.

 

Zie ook artikel Naar OER-onderwijs voor iedereen van dezelfde auteurs

@